
Feministen moesten seksueel geweld altijd al serieus nemen. Met moed en strijdlust politiseerden ze individuele tragedies en veranderden deze in een collectief verhaal waar we ons toe moeten verhouden. Massilia Ourabah schrijft over haar feministische dankbaarheid en vraagt mannen: Wij deden Me Too, nu is het Jullie Beurt.
(vertaling Marguerite van den Berg)
Deze brief gaat over seksueel geweld. Lees met zorg.
Lieve feministen,
Dank jullie wel.
In 2024 waren we getuige van een uitzonderlijke rechtszaak over een uitzonderlijke verkrachtingszaak. Het was duidelijk dat veel moeilijk feministisch werk gedaan was. Een man uit Mazan, een kleine plaats in Zuid-Frankrijk, stond terecht voor het drogeren en verkrachten van zijn vrouw, Gisèle Pelicot. Hij had dat bij herhaling gedaan, gedurende tien jaar en hij nodigde andere mannen online uit om haar ook te verkrachten terwijl zij buiten bewustzijn was. Gisèles echtgenoot stond terecht met vijftig andere mannen, de mannen die de politie kon identificeren uit de 83 mannen die haar geweld aandeden. Ze werden allen veroordeeld. Een uitzonderlijke zaak.
Gisèle Pelicot werd een symbool voor moed en waardigheid. Ze nam een besluit dat bewondering afdwong. Ze besloot de zaak publiek te maken. Dat betekende dat ze gedurende de drie maanden dat het proces duurde omringd werd door journalisten die reacties wilden terwijl ze elke dag oog in oog stond met haar verkrachters en met de verschrikkelijke daden die zij hadden begaan. Maar het betekende ook dat de zaak politiek kon worden. Het betekende dat haar uitzonderlijke zaak ons iets kon leren over hoe bruut niet-uitzonderlijk deze was. Gisèle Pelicots zaak werd de zaak van de angstaanjagende banaliteit van seksueel geweld. De angstaanjagende banaliteit van het geweld gepleegd en georkestreerd door een normale echtgenoot – 72, elektricien, vader van twee kinderen. De angstaanjagende banaliteit van zoveel normale mannen – een vrachtwagenchauffeur, een brandweerman, een koopman, een journalist, een metselaar, een tuinman, een IT-specialist, een soldaat, een 26-jarige, een 34-jarige, een 43-jarige, een 52-jarige, een 68-jarige, een 74-jarige. Ze begingen allemaal een monsterlijke misdaad. Het werd een zaak die ging over de banaliteit van het kwaad die geweld tegen vrouwen is. Het was duidelijk: we zijn van ver gekomen.

Ik herinner me heel helder de twee momenten die mijn feministisch bewustzijn en commitment vormden. Toen ze plaatsvonden was dat bewustzijn er nog niet, ik was nog ongeïnformeerd en ongevormd – zoals velen. Het eerste was in 2003, ik was 10. Bertrand Cantat, zanger van de band Noir Désir – toen de beroemdste Franse rockband – sloeg zijn partner dood, de actrice Marie Trintignant. Het was een tragedie, en breed uitgemeten geromantiseerd. De scène vond plaats op een filmset, in een hotelkamer in Vilnius. De rollen waren er ook: een gekwelde zanger in gevecht met zijn demonen die, op een avond, in een uitbarsting van bezitterigheid, het licht in zijn leven doofde; een prachtige en onschuldige actrice die stierf in de armen van de liefde, zij tweeën voor altijd aan elkaar geklonken in deze tragedie. Een ‘crime passionel’ – dat was hoe veel media verslag deden van de moord op Marie Trintignant. Een man sloeg een vrouw dood, maar femicide was nog geen woord toen. Ik hield van Noir Désir en de charismatische zanger. Nog steeds vind ik het moeilijk om niet van de muziek te houden – de langdurige impact van rebellerende muziek op een tiener in formatieve jaren. Ik wilde dat ook niet hoeven. Maar zelfs als tienjarige voelde ik dat het verhaal van een tragedie niet klopte. Zelfs als tienjarige voelde de obscene romantisering verkeerd.
Het tweede moment was in 2011, ik was 17. Dominique Strauss-Kahn, directeur-generaal van het IMF en kandidaat voor de Franse Socialistische Partij in de komende presidentsverkiezingen werd beschuldigd van verkrachting door Nafissatou Diallo. Het was gebeurd tijdens haar schoonmaakdienst in het Sofitel hotel in New York. De media behandelde deze zaak anders. De misdaad was anders. Maar vooral was het slachtoffer dat – Nafissatou Diallo werd het niet waard gevonden om te romantiseren. Mediareacties op de Sofitel-zaak waren een exploderend vuurwerk aan misogynoir, een echt intersectioneel feest waar verslaggevers en opiniemakers konden zwelgen in seksisme, racisme en de verachting van haar klasse.
Waarom was Strauss-Khan opgepakt? vroeg een voormalig minister zich af. Er was toch ‘geen man gestorven?’ Vast en zeker was het niet een poging tot verkrachting die hier had plaatsgevonden, zei een prominent journalist die hier ‘praktisch zeker’ van zei te zijn. Eerder was het ‘een onvoorzichtigheid…het rok-liften van huishoudelijk personeel.’ Niet alleen negeerden de commentatoren verschillende eerdere beschuldigingen aan het adres van Strauss-Kahn, maar wat ze werkelijk dwars zat, was waarom ze zich nu juist om deze zaak druk moesten maken. Ze konden dat ook gewoon zeggen op nationale TV, verzekerd van het feit dat hun meningen common sense waren.
Vijftien jaar later, tijdens de Mazan zaak, was het duidelijk dat Me too was gebeurd. De woorden waren anders. Geen eufemismen meer, geen obscene diskwalificaties. Discussies gingen over gender en geweld, over seksueel geweld, over aanranding en verkrachting. En ze gingen over de banaliteit van dat alles – geen monsters meer. Geen duistere fascinerende emo monsters als Cantat. Geen weerzinwekkende, omnipotente, afgrijselijke monsters als Strauss-Kahn. Gewoon een uitzonderlijk aantal alledaagse mannen en de litanie van hun alledaagse misdaden.
Dat is dankzij jullie, feministen. Het is dankzij vrouwen als Tarana Burke, een Amerikaanse activist die al jaren het werk deed met zwarte vrouwen en meisjes, voordat de Me too beweging die ze begon in 2006 uiteindelijk een wereldwijde schok teweegbrachten. Ook in de VS was het dankzij Anita Hill die, lang voor Me too, in 1991, een verklaring gaf tijdens de hoorzittingen voor de benoeming van Clarence Thomas tot de Supreme Court. Ze rapporteerde dat ze jarenlang seksueel was geintimideerd door Thomas. Haar verklaring – het onbegrip van witte feministen en de backlash die ze kreeg in de zwarte gemeenschap voor het geven van deze verklaring tegen de eerste zwarte kandidaat – was een basis voor de argumentatie van jurist en legal scholar Kimberlé Crenshaw over ‘“the particular ways in which Black women are silenced between the rocks and the hard places of racism and sexism”. Uit deze analyse kwam een invloedrijk concept in feministische theorie voort: de intersectionaliteit van onderdrukking. Voor velen van ons wiens ‘normale mannen’ – vaders, broers, zonen – al het raciale stigma dragen van aangeboren neiging tot seksueel geweld, is het begrip intersectionaliteit een reminder dat we niet zouden moeten hoeven kiezen met wie we loyaal zijn, dat we onszelf niet zouden moeten hoeven offeren op het altaar van feminisme of antiracisme.
Dichter bij huis hebben we dit inzicht ook dankzij Giovanna Rincon, een trans activist die van intersectionaliteit de basis maakte van haar militante activisme. Toen in 2018 de sekswerker Vanesa Campos werd vermoord, en wanneer in 2020, sekswerker Jessyca Sarmiento werd vermoord, gaf Rincon en haar beweging Acceptess-T Frankrijk een les in intersectioneel feminisme: de wet die de cliënten van sekswerkers criminaliseerde, zogenaamd vanwege vrouwenrechten, bracht gevaar voor Campos en Sarmiento, die beiden trans en ongedocumenteerd waren. Het maakte hen kwetsbaarder voor geweld. Seksueel geweld is niet een one-size-fits-all issue, is Rincons punt.
Tarana Burke, Anita Hill, Kimberlé Crenshaw, Giovanna Rincon en heel veel andere vrouwen en activisten gaven ons woorden om mee te denken en inspiratie door hun moed. In het najaar van 2024 zagen we de vruchten van deze inspanningen. In Frankrijk en elders stond seksueel geweld op de agenda en jullie, feministen, hebben het daar geplaatst. Feministen, vrouwen, participeerden in debatten, schreven journalistieke bijdragen en boeken. Vrouwelijke historici historiseerden, vrouwelijke juridische experts analyseerden, vrouwelijke sociologen contextualiseerden, vrouwelijke social workers politiseerden. Terwijl media het nog steeds moeilijk vinden om vrouwelijke experts serieus te nemen als het gaat om gesprekken over de NAVO of EU-Mercosur onderhandelingen, voerden vrouwen het publieke gesprek over seksueel geweld. Dat klopt niet.
Seksueel geweld is simpel, eigenlijk. Het is een mannenprobleem. Ik weet uit ervaring dat zo’n uitspraak mij komt te staan op een beschuldiging van misandrie. Er wordt je verteld dat het een versimpeling is, een essentialisering, een karikatuur van een complex probleem. Ik empathiseer – nuance is de moeite waard. Je moet wel denken ‘Not All Men’, zodat het mogelijk niet om jouw echtgenoot, jouw vader, jouw zoon, jouw vriend gaat – zoveel mannen en moeilijk om niet meer van te houden. Maar feministen zijn de boodschapper hier, niet de karikatuurtekenaar. In Frankrijk wordt geschat dat 96% van de daders van gevallen van seksueel geweld man is. 96%. Volgens hetzelfde officiële rapport van het Ministerie van Binnenlandse zaken is 85% van de slachtoffers vrouw en 15% mannen (en in deze rapportage blijft het aantal gevallen van seksueel geweld tegen trans mensen buiten beschouwing). Mannen zijn ook slachtoffer. Tijdens het Mazan proces werd duidelijk dat het spook van incest in de zitting was, aan de kant van zowel het slachtoffer als de daders. Veel van die mannen waren ook slachtoffer. Al die mannen waren dader. En al die daders waren mannen. 100%. Dus seksueel geweld is simpel, eigenlijk.
Lieve feministen,
Goed gedaan. Zullen we dan nu eens stoppen?
***
Beste mannen,
Jullie zijn aan zet.
Seksueel geweld is jullie probleem. Neem het terug.
Waarom zijn jullie overal zo praatgraag en hier o zo stil?
Waarom moeten wij de experts zijn van jullie geweld? Jullie geweld is van jullie.
Waarom moeten wij het analyseren?
Waarom moeten wij het ontleden?
Waarom meten wij erover praten. Jullie geweld is van jullie.
Gaan jullie maar eens analyseren. Gaan jullie maar eens ontleden. Gaan jullie maar eens graven.
Vind het vuil maar. Gaan jullie er maar op kauwen. Slik het maar door, zoals wij hebben gedaan.
Ben je niet bezorgd? Zelfs niet een beetje?
Jullie kunnen goed rekenen. Maak de rekensom.
1 op de 3 vrouwen is het slachtoffer geweest van seksueel geweld. Neem je familie rond de tafel. Wie moet het zijn? Je moeder? Je zuster? Je dochter? De meeste van die vrouwen kent hun dader. Zoek maar even door. Wie is dat dan?
Kan 96% je vader zijn? Kan het je broer zijn? Zou jij het kunnen zijn?
Ben je niet bezorgd?
Ben je niet bezorgd dat 83 mannen hard konden worden bij een bewusteloos lichaam? Een vrachtwarenchauffeur, een brandweerman, een koopman, een journalist, een metselaar, een tuinman, een IT-specialist, een soldaat, een 26-jarige, een 34-jarige, een 52-jarige, een 68-jarige, een 74-jarige. Mannen die alleen met elkaar gemeen hadden dat ze mannen zijn.
Ben je niet bezorgd dat deze 83 mannen opgewonden raakten van de passiviteit van een dood-lijkend lichaam van een vrouw?
Lijkt dat niet ergens op?
Ben je niet bezorgd?
Geef je er niet om?
Wij wel. Wij zijn bezorgd, we zorgen, heel veel zorg. En nog steeds is het nauwelijks genoeg zorg. Het is nauwelijks genoeg voor degenen voor wie we zorgen, en het is zeker niet genoeg voor alle slachtoffers voor wie niemand zorgt, ook andere vrouwen niet.
We zullen doorgaan met zorgen. En we zullen ons best doen om niet meer te houden van.
Maar jullie geweld is van jullie. Neem het terug.
Wij stoppen.
Waarom moeten we maar doorpraten over de wolf? Laat de wolf praten over de wolf en laat de schapen praten over de NAVO en de EU-Mercosur onderhandelingen.
We maken van jullie geweld niet onze ontstaansgeschiedenis, onze genesis. Jullie geweld is van jullie.
De schapen hebben belangrijkere dingen te doen.
Massilia Ourabah zoekt naar manieren waarop liefde ons doet groeien. Ze denkt en schrijft over stoppen met houden van wat ons pijn doet – patriarchale relaties, milieu-beschadigende productie, koloniale geschiedenissen – en het voeden van liefde voor de solidariteiten die ons overeind houden. Ze is een postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent en TUGraz en ze woont in Frankrijk.
Feministen moesten seksueel geweld altijd al serieus nemen. Met moed en strijdlust politiseerden ze individuele tragedies en veranderden deze in een collectief verhaal waar we ons toe moeten verhouden. Massilia Ourabah schrijft over haar feministische dankbaarheid en vraagt mannen: Wij deden Me Too, nu is het Jullie Beurt.
Noortje van Amsterdam schildert de luchten die ze kan zien vanuit haar huis. Ze zoekt naar crip solidariteit vanuit haar ziekteverlof: ' Mijn wens voor ons (ja, samen!) is dat we naar de hemel reiken om netwerken te bouwen waarmee we crip solidariteit oefenen als een manier om opnieuw vorm te geven aan onze relatie tot ons werk, ons eigen lichaam en dat van anderen.'
Over moeders en moederschap hebben feministen veel geschreven. Maar hoe verhouden we ons kritisch en liefdevol tot onze eigen feministische (voor)moeders? Irene van Oorschot zoekt in de bibliotheek van haar overleden moeder naar een antwoord.
We leven op land vol gif, met lijven met plastics en PFAS. Hoe kunnen we te midden van die ruïnes liefde en solidariteit vinden? Luca Hopman en Marguerite van den Berg zoeken in dit herfst issue naar lessen van voormoeders en hedendaagse heldinnen en leren hoe we de moed kunnen vinden om elkaar te beschermen.